Op 27 maart 2026 verscheen de Voorjaarsnota. Een document van 132 pagina's waarvan de meeste passages over begrotingstekorten en defensie-uitgaven gaan. Tussen de regels staan drie pensioenwijzigingen die het waard zijn om apart op te merken, omdat ze direct ingrijpen op keuzes die mensen nu maken: vroeg stoppen met werken, hard sparen voor later, en het opnemen van een deel pensioen ineens bij ingang.
Geen van de drie haalt de voorpagina, en juist daarom is het zinnig om ze op een rij te zetten.
Eén. De RVU-vrijstelling blijft, en wordt ruimer.
De Regeling Vervroegde Uittreding, RVU, is de fiscale uitzondering die werkgevers toestaat een uittredingsuitkering te betalen aan oudere werknemers zonder dat daar een eindheffing van 52 procent overheen gaat. De regeling staat al jaren op de tocht, een uitzondering die elke kabinetsperiode opnieuw verlengd wordt. De Voorjaarsnota bevestigt dat de regeling ook na 2025 doorloopt, en doet er een schepje bovenop.
Concreet: het vrijgestelde maandbedrag, dat al ongeveer gelijkliep met de netto AOW, gaat omhoog met €300 bruto per maand. Vanaf 2026 stijgt het ook jaarlijks mee met de ontwikkeling van het minimumloon. De ruimte blijft drie jaar vóór de AOW-leeftijd. Wie 64 wordt en werkgever krijgt zover te willen betalen, kan dus tot 67 jaar een fiscaal vriendelijke uitkering ontvangen.
Wat dit verandert in de praktijk. Stel, je bent 64 jaar en werkt bij een werkgever die je aan wil bieden te stoppen. Onder de oude regeling kon je €2.273 bruto per maand vrijgesteld ontvangen (bedrag 2025). Onder de nieuwe: ongeveer €2.573. Drie jaar lang. Dat is over de hele periode ongeveer €10.800 meer vrijgestelde uitkering, oftewel rond de €5.000 netto extra dan onder de oude regeling.
Wie hier baat bij heeft: vooral mensen in zware beroepen waarvan de werkgever bereid is mee te betalen aan vervroegde uittreding (bouw, zorg, transport). Voor zelfstandigen of mensen wier werkgever niets aanbiedt, verandert er niets.
Belangrijk om te begrijpen: de RVU is een werkgevers-betaalde uitkering, geen pensioenrecht. Het pensioenfonds keert pas vanaf de AOW-leeftijd uit. De RVU overbrugt de jaren ertussen, en daarvoor moet je werkgever en jij overeenstemming hebben. Geen wet die afdwingt dat het kan, alleen een wet die maakt dat het fiscaal niet abnormaal duur is als het wel kan.
Twee. Het maximum pensioengevend loon wordt zes jaar bevroren.
Het maximum pensioengevend loon (MPL) is de inkomensgrens waarover je fiscaal vriendelijk pensioen mag opbouwen. In 2026 staat het op €137.800. Daarboven mag je niet meer fiscaal aftrekken voor pensioenpremie, voor lijfrente, of voor jaarruimte. Mensen die daarboven verdienen, moeten hun extra pensioenopbouw uit netto inkomen financieren, in box 3.
Tot nu toe steeg dit bedrag jaarlijks mee met de inflatie. Vanaf 2027 wordt het zes jaar lang bevroren op de stand van 2026: €137.800. In 2033 wordt er opnieuw naar gekeken. Bij een inflatie van gemiddeld 2,5 procent per jaar betekent dat een reeële daling van ongeveer 14 procent over zes jaar.
Wie raakt dit. Hoge inkomens vanaf circa €140.000, en in toenemende mate ook inkomens die er nu nog onder zitten maar door loonstijging er overheen groeien. Voor een DGA die zijn salaris zelf vaststelt is dit een argument om het pensioengevend loon op precies €137.800 te zetten en boven dat bedrag geen pensioenpremie meer te begroten, omdat het toch niet aftrekbaar is.
Een rekensom. Iemand met €180.000 bruto loon, pensioenpremie 22 procent van de pensioengrondslag, AOW-franchise 2026 op €19.172. Onder de oude indexatie zou bij gemiddelde inflatie de pensioengrondslag in 2033 zijn opgelopen tot ongeveer €132.000. Onder de bevriezing blijft die op €118.628. Verschil in pensioenpremie over zes jaar: ongeveer €17.700 minder fiscaal voordelig opbouwbaar.
Dat geld verdwijnt niet. Je kunt het in box 3 sparen of beleggen. Maar je betaalt dan de werkelijke heffing over het rendement (forfait 6 procent in 2026, of werkelijk rendement vanaf 2028), in plaats van pas afrekenen bij uitkering tegen het lagere AOW-tarief. Voor hoge inkomens is dat een merkbaar verschil.
Drie. Het bedrag ineens wordt uitgesteld naar 2029.
De Wet bedrag ineens, die het mogelijk maakt om bij pensionering tot tien procent van het pensioenkapitaal in één keer op te nemen, zou per 1 juli 2026 in werking treden. De Voorjaarsnota stelt dat uit met tweeenhalf jaar, naar 1 januari 2029.
Reden voor het uitstel volgens het kabinet: pensioenfondsen en uitvoerders staan al onder druk door de invaring naar het nieuwe stelsel per 1 januari 2027. Een gelijktijdige introductie van het bedrag ineens zou de uitvoering te zwaar belasten. Critici lezen daarin ook dat het kabinet de fiscale gevolgen van massale opname (mogelijk verzilvering tegen hoog tarief in het laatste werkjaar) wil zien zonder dat het nieuwe stelsel net begint.
Wie hier op rekende. Mensen die per medio 2026 of in de tweede helft van 2026 met pensioen gaan, en die hoopten een bedrag ineens te kunnen opnemen voor bijvoorbeeld het aflossen van de hypotheek, het kopen van een kleinere woning, of een grote eenmalige uitgave. Voor hen blijft alleen de standaard uitkering over, met de gebruikelijke maandelijkse uitbetaling.
Wat zijn de alternatieven. De High-Low-regeling bestaat al: in de eerste vijf jaar van pensionering een hogere uitkering, daarna een lagere. Dat haalt de cashflow naar voren maar geeft geen blok geld. Voor de hypotheek-route is er soms onderling bedingbaar met de bank een aflossing uit lopend inkomen, zonder dat er een groot bedrag opzij hoeft. Voor wie het puur wil voor een grote uitgave: ofwel uitstellen tot 2029, of een lijfrente opbouwen die je wel ineens kan opnemen (binnen fiscale grenzen).
Een detail dat in de berichtgeving ondersneeuwt: het uitstel geldt voor de opname. De wet als zodanig is al aangenomen. Er kan nog politieke discussie ontstaan over de hoogte van het percentage (nu tien procent, sommigen pleiten voor vijftien) of over de fiscale verwerking (nu valt het in box 1 in het opnamejaar, sommigen willen splitsing over drie jaar).
Wat ze samen betekenen.
De drie wijzigingen vormen geen samenhangend pakket. Ze zijn los, en raken verschillende groepen. Maar ze laten wel iets gemeenschappelijks zien: de overheid blijft de pensioenregels met kleine stappen verschuiven, en de richting van de stappen is niet consistent.
De RVU-verruiming maakt eerder stoppen aantrekkelijker. De bevriezing van het maximum pensioengevend loon maakt pensioenopbouw boven de modale inkomens minder aantrekkelijk. Het uitstel van bedrag ineens beperkt de flexibiliteit bij ingang. Er zit geen rode draad in, behalve dat elk pensioenjaar gemiddeld twee tot vier wijzigingen krijgt waar je rekening mee moet houden.
Voor wie nu beslissingen neemt over eerder stoppen, lijfrente-aftrek, of de timing van pensionering: gebruik 2026 als peilmoment, plan voor 2027 met de bekende verschuivingen, en accepteer dat er voor 2028 en 2029 nog wijzigingen volgen die nu nog niet bekend zijn. Pensioen-zekerheid op tien jaar termijn bestaat niet. Pensioen-zekerheid op één jaar termijn meestal wel.
Voor wie zijn eigen situatie wil doorrekenen, inclusief de invaring per 2027 en de RVU-mogelijkheden: gebruik Mijn pensioen voor de basis, of Eerder stoppen voor de RVU-route specifiek.