FNV zegt zes tot acht procent per jaar dat je eerder stopt. Nibud zit op zeven. NN, ASR en ABN AMRO hebben rekentools die in vijf klikken een grafiek geven, en de grafieken eindigen allemaal in dezelfde hoek: stoppen kost ongeveer dit per jaar. Twee jaar eerder, veertien procent minder pensioen. Drie jaar eerder, eenentwintig.
Het klopt. Het is rekenkundig zuiver, geen leugen, geen list. En het is voor bijna niemand de vraag die gesteld werd.
Want de vraag aan de keukentafel is niet: hoeveel procent minder pensioen krijg ik. De vraag is: kan ik over twee jaar leven van wat ik dan heb, en wat is het verschil tussen vol stoppen op mijn 65ste en wat anders proberen. En op die vraag heeft de zeven-procent-vuistregel geen antwoord. Hij antwoordt alleen op één van de vier routes die je kunt nemen.
De vuistregel en wat hij verbergt.
Stel: 25.000 bruto pensioen per jaar bij ingang op 67, opgebouwd over een redelijke loopbaan. Vervroegen naar 65 betekent dat het fonds een actuariele korting toepast, omdat het twee jaar langer moet uitkeren en twee jaar minder premie ontvangen heeft. De korting ligt bij de meeste fondsen rond de 7 procent per jaar, met maximaal 1 procent afwijking naar boven of beneden. Neem 7 procent: twee jaar eerder is een korting van ongeveer 14 procent. Het bruto pensioen van 25.000 wordt zo 21.500.
Klopt. Voor wie van zijn 65ste tot aan zijn overlijden alleen leeft van dat ene fondspensioen plus AOW, is het verlies hard, en het loopt door tot het einde. 3.500 bruto minder per jaar, twintig jaar lang, is 70.000 bruto verschil.
Wat de vuistregel niet behandelt: dat de meeste 65-jarigen ook nog AOW krijgen die pas op 67 ingaat, dat de meeste fondsen een hoog-laag-keuze hebben die het verschil opheft, dat deeltijd werken naast vervroegd pensioen vaak meer netto oplevert dan vol stoppen, en dat eigen vermogen in box 3 een ander tarief krijgt dan pensioenuitkering in box 1. Vier variabelen, vier routes. De vuistregel rekent één route door en presenteert dat als de hele rekensom.
Route één. Vervroegen, en niets anders.
Dit is de route die de vuistregel beschrijft. Je laat het fonds twee jaar eerder uitkeren, je krijgt actuariele korting, en je leeft van die lagere uitkering plus eventueel eigen spaargeld tot je AOW ingaat. De jaren tussen vervroegd ingaan en AOW noemen we de brug-jaren.
De rekensom in koopkracht: 25.000 bruto wordt 21.500 bruto na vervroeging. Netto, na belasting box 1 en zorgpremie ZVW, komt dat in 2026-tarieven neer op ongeveer 19.300 netto per jaar, oftewel 1.610 per maand. Dat is je inkomen in de twee brug-jaren van 65 tot 67. Vanaf 67 komt de AOW erbij: voor een alleenstaande €20.930 bruto per jaar, voor samenwonenden €14.380 per persoon. Vanaf 67 zit je dus op een totaal bruto van 42.430 (alleenstaande) of 35.880 per persoon (samenwonend), wat netto rond de 2.880 respectievelijk 2.400 per maand uitkomt.
De twee brug-jaren zijn het probleem, niet de korting. Een 65-jarige die geen ander vermogen heeft, krijgt twee jaar 1.610 netto per maand. Voor wie z'n laatste werkjaar drie keer zoveel verdiende, voelt dat als een cliff. En de korting op het fondspensioen loopt door, ook na 67, dus ook tijdens de jaren met AOW.
Voor wie dit de enige optie is: het is de duurste route. Niet omdat de korting hoog is, maar omdat je twee jaar uitgaven moet bekostigen uit een uitkering die ervoor ontworpen is gemiddeld 1.700 netto per maand te leveren in een tijdvak waarin je nog geen AOW krijgt.
Route twee. Hoog-laag.
De meeste pensioenregelingen kennen een hoog-laag-constructie. De eerste paar jaar van pensionering krijg je een hogere uitkering, daarna een lagere. De wet staat een verhouding toe tot 100:75, met een maximum "hoge periode" van vijf of tien jaar, afhankelijk van fonds en regeling.
Hoe dit eerder stoppen mogelijk maakt: je vervroegt naar 65, en je laat de eerste twee jaar (precies de brug-jaren zonder AOW) een hogere uitkering uitbetalen. Daarna, vanaf 67 wanneer de AOW erbij komt, valt de uitkering terug op het lagere niveau.
Een rekensom op dezelfde 25.000. Bij vervroegen naar 65 met actuariele korting kom je op 21.500. Hoog-laag toegepast met een verhouding 100:75 over de eerste twee jaar betekent: in jaar 65 en 66 ontvang je ongeveer 24.000 bruto per jaar in plaats van 21.500. Daarna valt het terug naar ongeveer 18.000.
Het cumulatieve effect over een uitkeringsperiode van twintig jaar is rekenkundig nagenoeg neutraal. Je krijgt vooraan meer en achteraan minder, het fonds verschuift geld in de tijd. Maar koopkrachtig maakt het wel uit: de twee brug-jaren zijn juist de jaren waarin je het meeste tekort hebt. Hoog-laag dempt die cliff fors.
Netto per maand: in de hoge periode ongeveer 1.760, in de lage periode ongeveer 1.480 plus AOW. Voor de meeste 65-jarigen die alleen het fondspensioen hebben, is dit een betere route dan zuiver vervroegen, en het kost niets extra. Het fonds rekent het simpelweg anders uit.
Een waarschuwing erbij: niet elke regeling staat hoog-laag toe in combinatie met vervroegen, en niet elk fonds laat de hoge periode precies tussen 65 en 67 vallen. Soms moet je akkoord gaan met een hoge periode van vijf jaar (65-70) in plaats van twee, wat de korting op de lage periode aanzienlijk maakt. Check de regeling, niet de algemene wettelijke maxima.
Route drie. Deeltijd-pensioen.
De optie die werkgevers zelden voorleggen en pensioenfondsen niet promoten. Je werkt vanaf je 65ste niet meer voltijd, maar twee of drie dagen per week. Je laat het fonds een deel van het pensioen vervroegd uitkeren, evenredig aan het deel dat je stopt met werken. De rest van het pensioen blijft staan en groeit door.
Voorbeeld. Je werkte 5 dagen voor 70.000 bruto per jaar. Vanaf 65 ga je 2 dagen werken voor 28.000 bruto. Het 60-procent-deel pensioen vervroeg je naar 65, het 40-procent-deel laat je staan tot 67 of later. Op het deel dat je vervroegt krijg je actuariele korting; op het deel dat je laat staan groeit de waarde door, doordat het fonds nog twee jaar premie ontvangt op je deeltijd-loon en de pot twee jaar langer rendement maakt.
De rekensom: het vervroegde deel van 15.000 bruto wordt na korting 12.900. Op die 12.900 plus 28.000 loon plus eventuele aanvullingen kom je netto rond de 31.000 per jaar uit, oftewel 2.580 per maand. Niet ver onder het netto dat je in voltijd verdiende, omdat de twee dagen werk veel hoger belast worden dan een pensioenuitkering.
Vanaf 67 stopt het werken, valt de AOW in, en gaat het tweede pensioendeel uitkeren tegen de hogere standaardvoet. Cumulatief over de levensloop verlies je nauwelijks pensioenkapitaal, en je hebt tussen 65 en 67 een werkbelasting die past bij je leeftijd. Voor lichamelijk zware beroepen is dit zelden haalbaar; voor kantoorberoepen, advies en coordinatie is het de optie die het minste kost en de meeste rust geeft.
Waarom HR het zelden voorlegt: de werkgever moet er administratief mee instemmen, deeltijd-medewerkers van 65+ tellen door op de loonsom, en de meeste personeelsafdelingen kennen het traject niet uit hun hoofd. Het wordt geen optie als jij hem niet noemt.
Route vier. Eigen vermogen als brug.
Wie eigen vermogen heeft buiten het pensioen (spaargeld, beleggingen, lijfrente, overwaarde) kan dat inzetten om de brug-jaren te overbruggen zonder het pensioenfonds te vervroegen. Het pensioen begint dan gewoon op 67, zonder korting, op de volle 25.000 bruto.
De rekensom. Om twee brug-jaren rond te komen op een levensniveau van 1.700 netto per maand, heb je tussen 65 en 67 ongeveer 40.000 netto nodig. Uit box 3 betekent dat ongeveer 45.000 bruto onttrekken, na heffing op rendement onder het forfaitair stelsel of het werkelijk rendement vanaf 2028. Uit lijfrente of banksparen betekent dat ongeveer 55.000 bruto opnemen, omdat lijfrente-uitkeringen in box 1 belast worden tegen je marginale tarief.
Wat het oplevert: vanaf 67 staat je pensioen op de volle 25.000 bruto in plaats van 21.500. Verschil: 3.500 bruto per jaar, ongeveer 2.700 netto per jaar, levenslang. Bij een uitkering van twintig jaar is dat 54.000 netto extra ten opzichte van vervroegen.
Wat het kost: de 40.000 die je uit je vermogen haalt, plus het verloren rendement op dat geld. Bij 5 procent rendement over de levensloop is dat ongeveer 25.000 aan gemiste groei. Netto: ongeveer 30.000 voordeel ten opzichte van vervroegen.
De route loont vooral wanneer je eigen vermogen rendabel staat, wanneer het lijfrentepotje toch al binnen redelijke termijn moet uitkeren, of wanneer je box-3-vermogen toe is aan onttrekking om onder een drempel te komen voor toeslagen of de eigen bijdrage Wlz. Hij loont niet wanneer je vermogen in een onverkoopbaar object zit (woning, kleine BV-aandelen) of wanneer onttrekking je in een ander fiscaal nest werpt.
En dan is er nog de RVU.
Voor wie in een zwaar beroep zit en een werkgever heeft die mee wil betalen, is er een vijfde mogelijkheid die geen route op je eigen pensioen is, maar een werkgevers-betaalde brug: de Regeling Vervroegde Uittreding. De vrijstelling is vanaf 2026 verruimd met ongeveer €300 bruto per maand, het vrijgestelde bedrag loopt nu jaarlijks mee met het minimumloon, en de regeling geldt tot drie jaar vóór de AOW-leeftijd.
Wat dat betekent: je werkgever betaalt je tot drie jaar lang een uittredingsuitkering tot ongeveer €2.570 bruto per maand zonder dat daar een eindheffing van 52 procent overheen gaat. Daarop kun je nog je fondspensioen vervroegen of laten staan; dat is een aparte beslissing. De RVU vult de brug-jaren in zonder dat je eigen pensioen wordt aangesproken.
De catch is dat dit alleen werkt als je werkgever wil meewerken. Dat is voornamelijk een onderhandelingskwestie binnen sectoren waar de cao het stimuleert (bouw, zorg, transport). Voor wie zelfstandig is, en voor wie een werkgever heeft die niets aanbiedt, geldt de RVU niet. Het bredere kader uit de Voorjaarsnota 2026 staat in deze post.
De vier routes naast elkaar.
Dezelfde 25.000 bruto, dezelfde geboortejaar 1961, dezelfde wens om op 65 te stoppen. De netto-uitkomst over twintig jaar pensionering, in koopkracht van vandaag bij 2 procent inflatie, ligt ongeveer als volgt.
Route één, puur vervroegen: cumulatief verlies van ongeveer 60.000 ten opzichte van vol doorwerken tot 67. Twee zware jaren tussen 65 en AOW.
Route twee, vervroegen plus hoog-laag: cumulatief verlies vergelijkbaar (50 tot 65 duizend), maar de brug-jaren zijn beter overbrugd. Geen extra kosten.
Route drie, deeltijd-pensioen: cumulatief verlies van 10 tot 20 duizend, plus twee jaar lichter werk in plaats van vol stoppen. Vereist akkoord van werkgever.
Route vier, eigen vermogen als brug: cumulatief geen pensioenverlies, maar 30 tot 40 duizend van eigen vermogen ingezet. Levenslang voller pensioen. Loont bij ruim aanwezig vermogen, niet bij krappe situatie.
Plus de RVU als variant op route één of vier, voor wie een meewerkende werkgever in een zwaar beroep heeft.
De vuistregel van zeven procent per jaar beschrijft route één. Dat is de meest kostbare route. Voor wie alleen die ene optie kan, klopt de waarschuwing van FNV en NN. Voor wie ook een van de andere drie kan overwegen, is de waarschuwing misleidend, omdat ze suggereert dat eerder stoppen per definitie duur is. Dat is het, op route één. Op route drie zelden.
Wat te doen.
Open je UPO. Noteer het bruto pensioen op je standaard pensioenleeftijd. Vraag bij je fonds op welke hoog-laag-verhoudingen mogelijk zijn en of vervroegen in combinatie kan. Vraag bij HR of deeltijd-pensioen administratief mogelijk is in jouw cao of arbeidsvoorwaarden, en of RVU een optie is. Tel je box-3-vermogen op en bekijk welk deel ervan rendabel staat. Pas dan kun je een serieuze vergelijking maken.
Voor wie de vier routes naast elkaar wil zien in netto-koopkracht per maand, gebruik Eerder stoppen. Drie invoervakjes, vier scenario's, en de uitkomst zoals die werkelijk uitvalt voor jouw bruto pensioen, geboortejaar en huishouden.
Voor wie eerst de bruto-netto-mechaniek wil begrijpen voor het standaard scenario: Het UPO is een belofte, geen toezegging.
De waarschuwing van zeven procent per jaar staat nergens helemaal verkeerd. Hij is alleen onvolledig. En een onvolledige waarschuwing is in de pensioenwereld zelden vrijblijvend, want hij weerhoudt mensen van de routes die juist wel zouden lonen.