Iemand kijkt op zijn UPO, ziet €20.000 staan, en denkt: daar moet ik het straks mee doen. Twintigduizend euro per jaar, even door twaalf, zo'n €1.667 per maand. Dat valt tegen. En het klopt ook niet, maar dan de andere kant op: het is te laag.
Want het UPO vertelt maar de helft van het verhaal. Het laat zien wat je via je werk hebt opgebouwd. Het zwijgt over de andere bron die er voor vrijwel iedereen bij komt: de AOW.
Twee potjes, één pensioen.
Het Nederlandse pensioen leunt op twee pijlers die bij de meeste mensen samenvallen. De eerste is de AOW, de basisuitkering van de staat die je krijgt zodra je de AOW-leeftijd bereikt. Die staat los van waar je hebt gewerkt of hoeveel je verdiende. Iedereen die lang genoeg in Nederland heeft gewoond, krijgt hetzelfde bedrag.
De tweede pijler is het pensioen dat je via je werkgever opbouwde. Dat is het bedrag op je UPO. Hoe meer jaren en hoe hoger je salaris, hoe groter dit potje.
Op je UPO staat alleen die tweede pijler. De AOW staat er niet bij, want die regelt de Sociale Verzekeringsbank, niet je pensioenfonds. Twee instanties, twee brieven, en niemand die ze voor je optelt. Dat moet je zelf doen.
Wat de AOW erbij legt.
De AOW is in 2026 geen klein bedrag. Voor een alleenstaande is het bruto ongeveer €20.929 per jaar, inclusief het vakantiegeld dat in mei wordt uitbetaald. Voor wie samenwoont of getrouwd is, is het €14.379 per persoon, want een huishouden met twee mensen heeft samen minder nodig dan twee losse huishoudens.
Zet dat naast die €20.000 van het UPO en het beeld kantelt. Een alleenstaande komt niet uit op €20.000, maar op €40.929 bruto per jaar. De AOW verdubbelt het bijna. Dat is precies het bedrag dat veel mensen verrast, in positieve zin, als ze het voor het eerst echt uitrekenen.
Jouw pensioen (€20.000) plus AOW (€20.929) is samen €40.929 bruto. De AOW is voor de meeste mensen de grootste helft.
Waarom dit uitmaakt.
Het verschil zit niet alleen in de hoogte. Het zit ook in de aard. Je werkgeverspensioen kan schommelen, kan tegenvallen, kan door de nieuwe stelselwijziging anders uitpakken dan beloofd. De AOW is stabieler: een vast bedrag, gekoppeld aan het minimumloon, dat elk halfjaar meebeweegt. Voor wie weinig pensioen opbouwde, is de AOW het fundament. Voor wie veel opbouwde, is het de bodem onder de rest.
Er zit ook een belastingvoordeel in. Zodra je de AOW-leeftijd bereikt, betaal je geen AOW-premie meer. Het tarief in de eerste schijf zakt daardoor van 35,75 procent naar 17,92 procent. Over een groot deel van je inkomen betaal je als gepensioneerde dus bijna de helft minder belasting dan tijdens je werkzame leven. Daar komen nog de ouderenkorting en, voor alleenstaanden, de alleenstaande-ouderenkorting bovenop. Wie alleen AOW heeft en geen aanvullend pensioen, betaalt netto vaak helemaal geen belasting, omdat de heffingskortingen groter zijn dan de aanslag.
De valkuil.
De andere kant van het verhaal: de AOW-leeftijd ligt niet vast. In 2026 zit die rond de 67 jaar, maar hij kruipt mee met de levensverwachting. Wie nu vijftig is, weet niet precies op welke dag de AOW begint. En als je eerder wilt stoppen met werken dan die leeftijd, krijg je in de jaren ertussen nog geen AOW. Dan valt die grootste helft tijdelijk weg, en moet je het overbruggen met je eigen pensioen of spaargeld. Dat is precies waarom eerder stoppen vaak duurder voelt dan het is: je mist niet je pensioen, je mist tijdelijk je AOW.
De les.
Kijk nooit naar je UPO alsof dat je hele pensioen is. Het is de helft, soms minder. Tel de AOW erbij, trek dan pas de belasting eraf, en je weet wat er werkelijk op je rekening komt. Dat is een ander, en meestal geruststellender, getal dan dat ene bedrag op je overzicht.
Reken jouw pensioen door op de rekentool. Je vult je UPO-bedrag in, de AOW wordt er automatisch bij opgeteld, en je ziet wat je netto per maand overhoudt. Gratis, met de cijfers van 2026.