De jaarruimte is het bedrag dat je dit jaar fiscaal voordelig opzij mag zetten voor later. Elke verzekeraar met een lijfrenteproduct heeft er een rekentool voor, en elke tool eindigt op dezelfde plek: een groen getal en een knop om in te leggen. Wat geen van die tools erbij vertelt, is dat dat getal geen winst is. Het is uitgestelde belasting.

Dat onderscheid bepaalt of de inleg de moeite waard is. Want de jaarruimte zelf is een fiscale grens, geen rendement. Wat je er netto aan overhoudt, hangt af van drie dingen die in de folder ontbreken: de kosten van het product, de lock-in tot je pensioendatum, en het verschil tussen je belastingtarief nu en straks.

Eerst de rekensom: wat is de jaarruimte.

De jaarruimte is het verschil tussen het pensioen dat je in een jaar maximaal mocht opbouwen en wat je daadwerkelijk hebt opgebouwd. Heb je een pensioentekort, dan mag je dat verschil met belastingvoordeel aanvullen in een lijfrente of bankspaarrekening. De formule voor 2026 ziet er zo uit.

Je begint met je bruto-inkomen, tot een maximum van €137.800. Daar haal je de AOW-franchise van af, €19.172, het deel waarover je geen pensioen opbouwt omdat je later AOW krijgt. Wat overblijft heet de premiegrondslag. Daarvan mag je 30 procent als jaarruimte rekenen. Bouw je al pensioen op via een werkgever, dan gaat daar nog 6,27 keer je Factor A vanaf, het bedrag dat op je UPO staat als pensioenaangroei.

Premiegrondslag = inkomen (max €137.800) − €19.172 franchise. Jaarruimte = 30% daarvan, minus 6,27 × Factor A. Wie geen werkgeverspensioen heeft, komt in 2026 tot maximaal €35.589.

Een voorbeeld. Een zzp'er verdiende vorig jaar €60.000 en heeft geen werkgeverspensioen, dus geen Factor A. De premiegrondslag is €60.000 minus €19.172, dat is €40.828. Daar 30 procent van is €12.248. Dat is de jaarruimte voor dit jaar. Een werknemer met hetzelfde inkomen die wel pensioen opbouwt, houdt na aftrek van zijn Factor A vaak bijna niets over, soms nul. Dat is geen fout in de berekening. Dat is precies de bedoeling: de ruimte is er voor wie een tekort heeft, niet voor wie al genoeg opbouwt.

Wie eerdere jaren niet heeft benut, heeft daarnaast reserveringsruimte: de opgetelde ongebruikte jaarruimtes van de afgelopen tien jaar, in 2026 tot maximaal €42.753. Die mag je naast de jaarruimte van dit jaar inzetten.

Het misverstand: de aftrek is geen cadeau.

Hier gaat het mis bij vrijwel elke rekentool van een aanbieder. Stort je €12.248 binnen je jaarruimte, dan trek je dat bedrag af in box 1. Bij een tarief van 37 procent krijg je dit jaar ongeveer €4.532 terug van de Belastingdienst. De funnel toont dat bedrag als voordeel. En dat is het ook, maar alleen op dit moment.

Want het geld in de lijfrente is nog niet belast, het is uitgesteld belast. Als je het later als uitkering opneemt, betaal je er alsnog inkomstenbelasting over. Het werkelijke voordeel is niet de hele teruggave, maar het verschil tussen je tarief nu en je tarief straks. Werk je nu tegen 37 procent en val je na je AOW-leeftijd in een lager tarief, dan win je dat verschil. Val je straks in hetzelfde of een hoger tarief, dan is het fiscale voordeel grotendeels een lening van jezelf aan jezelf, en blijft alleen het uitstel van box 3-heffing over.

De aftrek voelt als rendement, maar je betaalt hem terug bij uitkering. Wat je werkelijk wint is het tariefverschil tussen nu en later, plus de jaren dat het geld buiten box 3 groeit. Niet de volle teruggave.

Wat de tool van de aanbieder weglaat.

Naast het tariefverschil staan er twee posten tussen de aftrek en wat je netto overhoudt. De eerste is kosten. Een lijfrente bij een verzekeraar rekent doorgaans meer dan een kale bankspaarrekening, en op een looptijd van twintig of dertig jaar eet een half procent extra kosten per jaar een fors deel van het fiscale voordeel op. De tool die je jaarruimte berekent, rekent die kosten zelden mee, want de tool is van de partij die ze in rekening brengt.

De tweede is lock-in. Het geld zit vast tot je pensioendatum. Haal je het er eerder uit, dan vervalt de fiscale faciliteit met terugwerkende kracht en komt er bovenop de gewone belasting een revisierente van 20 procent. Dat is geen detail in de kleine letters, het is de kern van de afspraak: je ruilt flexibiliteit in voor uitstel. Voor wie het geld zeker tot pensioendatum kan missen, is dat prima. Voor wie binnen tien jaar misschien een buffer nodig heeft, is het een dure val.

Wanneer de jaarruimte wel de moeite is.

De optelsom is niet somber, hij is alleen eerlijker dan de folder. De jaarruimte benutten loont het duidelijkst voor de zzp'er zonder werkgeverspensioen die nu een hoog tarief betaalt en straks lager uitkomt, het geld kan missen, en kiest voor een product met lage kosten. Dan stapelen alle drie de voordelen op elkaar: het tariefverschil, de uitgestelde box 3-heffing, en een rendement dat niet wordt weggevreten door beheerkosten.

Het loont het minst voor de werknemer die al volop pensioen opbouwt, weinig of geen jaarruimte heeft, en straks in hetzelfde tarief valt. Voor hem is de aftrek dun en de lock-in reëel. De vraag is dus niet hoe groot je jaarruimte is, maar of het tariefverschil, na kosten, opweegt tegen het vastzetten van je geld.

De les.

Bereken je jaarruimte, maar lees het getal voor wat het is: een fiscale grens, niet een opbrengst. Het zegt hoeveel je mag inleggen, niet of je dat moet doen. Het werkelijke rendement zit in het tariefverschil tussen nu en later, min de kosten van het product, min de prijs van het vastzetten van je geld tot je pensioen. Op precies die drie punten zwijgt de rekentool van de aanbieder, want die is gebouwd om de aftrek groot te laten lijken, niet om de uitkomst te laten kloppen.

Wil je weten hoe groot je pensioentekort werkelijk is en hoeveel jaarruimte daarbij hoort, voordat je iets afsluit? Reken het door op de pensioengat-tool. Je ziet je jaarruimte en reserveringsruimte met de cijfers van 2026, en wat je per maand zou moeten inleggen om het gat te dichten. Gratis.